Budocentrum Junansei

Voorschoten | Wassenaar

Het zwaard

Het Japanse zwaard staat bekend om haar scherpte en schoonheid. In het oude Japan werd de scherpte van een zwaard soms getest op misdadigers, maar meestal op strobundels die een tijd in water hadden gelegen. De schoonheid blijkt uit de vaak versierde stootplaat en andere ornamenten en uit de kling. Een hand gesmeed zwaard laat in de kling vaak een fraai lijnenspel zien. Dit verschijnsel (hamon) varieert van strak tot zeer uitbundig en zegt niets over de kwaliteit van het zwaard. Van beoefenaars van deze zwaardkunst mag worden verwacht worden dat hij de belangrijkste delen van het zwaard kan benoemen.

Saya: Schede van het zwaard. Op de saya zit een bevestigingsoog (kurigata) voor de sageo, een koord wat gebruikt wordt om de saya te zekeren in de band (obi) waarmee de kleding wordt vastgemaakt. In de saya kunnen ruimten aanwezig zijn voor een klein mesje (kozuka) en de haarnaald (kogaj).

Tsuba: stootplaat

Tsuka: handvat. De tsuka is vaak omwikkeld met katoen of leer (make-ito). Onder deze wikkeling bevinden zich roggehuid (same) en twee versieringen (menuki) op het handvat die zorgen voor een betere grip. Aan het eind van de tsuka zitten de zwaardknoppen (fuchi-kashira). Onder de tsuka in de richting van de punt van het zwaard bevindt zich een kraag die los om de kling is gevat (habaki). Hierdoor klemt het zwaard zich vast in de saya.

Monouchi: Het deel van het zwaard dat als eerste inslaat op de tegenstander. Dit deel bevindt zich ongeveer 10 cm onder de punt van het zwaard.